![]() |
| Kloosterkerk bij het Tanameer |
Op een dag klopte een geheimzinnige oude man bij hem aan en vroeg een slaapplaats. Belay nam hem natuurlijk in zijn huis op en hij gaf hem ook te eten. Onder het eten kwamen ze in gesprek. Ze konden het zeer goed met elkaar vinden.
"Wat is je naam eigenlijk?" vroeg Belay na het eten.
"Ik ben de duivel," antwoordde de oude man, "ik bezit vele krachten. Offer je zoon op voor mij en je zal rijkelijk beloond worden."
"Maar dat wil ik helemaal niet!"
"Denk er vannacht over na, en geef me morgen je antwoord", zei de duivel met een glimlach.
Belay lag de hele nacht wakker, woelde en overwoog het aanbod van de duivel. Hij hield van zijn zoon, maar hij was ook een arme man met een bescheiden bestaan.
Bij het opgaan van de zon had hij een besluit genomen. Hij haalde zijn groot mes boven en nam zijn zoon mee naar het grasveld achter zijn huis. Hij liet de jongen knielen. In één ruk sneed hij de keel van zijn eigen kind over alsof het een lam was. Dan riep hij de duivel bij hem.
"Ik zie je beslissing, beste Belay", zei de duivel.
"Word ik nu beloond?", vroeg Belay.
"Niet zo snel, je moet eerst zelf van het vlees geproefd hebben!", antwoordde de duivel en hij grinnikte.
Met enige walging sneed Belay een stuk vlees van zijn zoon af en stak het in zijn mond. Hij verwachtte het ergste, maar de smaak was overheerlijk. Zoiets had hij nog nooit geproefd, hier moest hij meer van hebben! Hij verslond zijn zoon met een snelheid die zelfs een hongerige leeuw niet ge
ëvenaard zou hebben.
De duivel verdween met de noorderzon, en hij liet Belay achter met een vurig verlangen: nog meer mensenvlees proeven. Belay was een goed man, dus probeerde hij dat verlangen te onderdrukken. Hij hield het slechts enkele dagen vol; op de derde dag veranderde hij in een monster. Dagenlang raasde hij door dorp en verslond stuk voor stuk zijn slachtoffers. Het nieuws van de kannibaal bereikte gelukkig snel de reizigers en de anders zo drukke weg liep leeg.
Aangezien Belay alle zeventig dorpelingen uitgemoord had, moest hij zijn dorp verlaten om vers vlees te vinden. Langs de weg zag hij een melaatse zitten. "Misschien sla ik deze beter over, die zal vast zwaar op mijn maag liggen", dacht Belay.
De melaatse richtte zijn ogen op tot Belay en smeekte met een hese stem: "Geef me water, alstublieft, in de naam van de Maagd Maria!"
Belay had een zak water mee en hij was een goed man. Hij schonk water uit voor de melaatse. "In naam van Maria schenk ik je dit water" prevelde hij. Dan ging hij verder.
![]() |
| Sint Michael en Sint Gabriel |
Hij reisde vele dagen, maar alle reizigers waren van de straat verdwenen. Hij kon geen mensen meer vinden, en ander voedsel wilde hij niet meer nuttigen.
Hij werd zienderogen dunner, tot hij nog maar vel over been was. Uiteindelijk was hij zo zwak geworden dat hij zich te rusten moest leggen onder een grote boom. Daar blies hij zijn laatste adem uit.
De aartsengel Michael verscheen voor Belay om over hem te oordelen. De zeventig doden kwamen in de linkerhelft van de weegschaal. De zonden wogen zwaar door. Rechts stroomde het geschonken water in de weegschaal, maar het was niet genoeg om de weegschaal te doen doorslaan naar de goede kant. Met een knal verscheen de duivel om Belay mee te sleuren naar de hel.
Plots kwam echter Maria te voorschijn van achter de boom. Haar schaduw viel op de rechter schaal en de hele weegschaal kantelde naar rechts. Belay werd dus ondanks zijn zonden opgenomen in de hemel. Want wie zijn bezittingen in naam van Maria deelt met de armsten, zal vergiffenis vinden voor de zwaarste zonden.
(Uit de Mariaverhalen van de Ethiopische Kerk)


Keine Kommentare:
Kommentar veröffentlichen